Jan Cox

15 March - 15 June 2008

Jan Cox, De bloedregen. Private collection

Jan Cox (1919-80), De bloedregen (Rain of blood), 1975
Private collection

Organizers

Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerp
Department of Art, Music and Theatre Studies, University of Ghent

From the museum website

The Belgian painter Jan Cox was born in The Hague on 27 August 1919. He spent the largest part of his childhood in Amsterdam and moved to Antwerp in 1936, where he attended classes at the National Higher Institute of Fine Arts. In 1945 he founded the group Jeune Peinture Belge together with other artists. A few years later he was introduced to the members of the Cobra group and he made life long friendships with Pierre Alechinsky and Hugo Claus.

From 1948 his attention shifted to the United States. He exhibited in the famous Curt Valentin Gallery in New York, and from 1956 he was Head of the Painting Department of the School of the Museum of Fine Arts in Boston. When he returned to Belgium in 1974, he joined the artists’ circle of Galerie ‘De Zwarte Panter’ in Antwerp.
In post-war history, Jan Cox’s art occupies a special place because of its careful composition, magical or surreal nature and a very personal palette. But Jan Cox mainly stands out from his contemporaries because he opted for classical themes: Orpheus, Homer’s Iliad, the Passion of Christ, themes in which he, together with the viewer, wanted to think about the ‘human condition’ and the horrors and desperation of modern times.

The exhibition does not present a general and chronological overview, but maps out the artist’s profile on the basis of key works and thematic ensembles: the artist’s life, the creative process, Calvary, the theme of the woman, Orpheus and the Iliad. Furthermore, a number of Jan Cox’s objects that have never been on show before will introduce us to a different, ‘playful’ Cox.

De Belgische schilder Jan Cox wordt geboren in Den Haag op 27 augustus 1919. Hij brengt het grootste deel van zijn jeugd door in Amsterdam, en verhuist in 1936 naar Antwerpen, waar hij lessen volgt aan het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten. In 1945 richt hij samen met andere kunstenaars de groep Jeune Peinture Belge op. Enkele jaren later komt hij in contact met de leden van de Cobragroep en bouwt hij blijvende vriendschappen op met Pierre Alechinsky en Hugo Claus.

Vanaf 1948 verschuift zijn aandacht naar de Verenigde Staten. Zo stelt hij tentoon in de befaamde Curt Valentin Gallery in New York, en is hij vanaf 1956 Head of the Painting Department van de School of the Museum of Fine Arts in Boston. Wanneer hij in 1974 naar België terugkeert, wordt hij opgenomen in de kunstenaarskring van Galerie De Zwarte Panter in Antwerpen.

De kunst van Jan Cox neemt in de naoorlogse kunstgeschiedenis een aparte plaats in door de zorgvuldige compositie, het magische of surreële karakter en een zeer persoonlijk kleurenpalet. Maar bovenal onderscheidt Jan Cox zich van zijn tijdgenoten door zijn keuze voor klassieke thema’s: Orpheus, de Ilias van Homeros, de Passie van Christus, thema’s waarin hij met de toeschouwer wil nadenken over de ˜menselijke conditie” en de verschrikkingen en de wanhoop van de moderne tijden.

De tentoonstelling presenteert geen algemeen en chronologisch overzicht, maar brengt het profiel van de kunstenaar in kaart aan de hand van sleutelwerken en thematische ensembles: de levensloop van de kunstenaar, het creatieproces, de Martelgang, het thema van de vrouw, Orpheus en De Ilias. Bovendien wordt een aantal objecten van Jan Cox tentoongesteld die nooit eerder te zien waren, en die ons een andere, “speelse” Cox leren kennen.

Sleutelwerken

Naast een raadselachtig zelfportret en voorstellingen van vrijuit vliegende vogels als teken van hoop (˜Ik leef weer, ik fladder, ik kwetter”), neemt De dood van Socrates (Antwerpen 1980) bij de aanvang van de tentoonstelling een cruciale plaats in. De oude Griekse wijsgeer staat niet alleen symbool voor de Griekse oudheid die Jan Cox een leven lang heeft geïnspireerd, maar staat eveneens symbool voor het tragische lot van de mens op zoek naar kennis, wijsheid en inzicht in goed en kwaad. Net als Socrates maakte Cox zelf een einde aan zijn leven.

De levensloop van Jan Cox

Jan Cox’ levensloop wordt overheerst door onvoorspelbare wendingen. Hij wordt geboren in Nederland, studeert aan de Antwerpse academie en de Rijksuniversiteit in Gent, werkt even met Cyriel Verschaeve en is vervolgens betrokken bij de activiteiten van het verzet tijdens WO II. Na ’45 verhuist hij naar Brussel om dichter bij zijn avant-gardevrienden te wonen en te werken, maar kiest toch niet voor de abstractie of de kunst van Cobra. Vanaf 1948 verschuift zijn aandacht naar de Verenigde Staten. In New York staat hij aan de vooravond van een veelbelovende professionele relatie met kunsthandelaar Curt Valentin, maar wordt in plaats daarvan professor schilderkunst aan de school van het kunstmuseum in Boston van 1956 tot 1974. Uiteindelijk keert hij ietwat ontredderd terug naar Antwerpen waar hij in Galerie De Zwarte Panter aan een nieuw hoofdstuk in zijn leven en kunst begint. Maar Cox vindt geen uitweg uit zijn drankzucht en de periodes van diepe depressie die worden afgewisseld met momenten van euforie en creativiteit. In 1980 maakt hij een einde aan zijn leven. In een zaal worden de ontmoetingen en voorvallen in het leven van Cox gedocumenteerd.

Hoe kunst maken?

Cox heeft een uitgesproken belangstelling voor het klassieke modernisme, de kunst van Picasso, Matisse, de surrealisten. Hij is leeftijdgenoot en vriend van Cobrakunstenaars zoals Alechinsky. Het werk van Cox draagt af en toe heel duidelijk de sporen van artistieke ontdekkingen: de vrijheid en expressiviteit van Cobra, Barnett Newman en de kracht van het gekleurde vlak, Rothko en de kleur van de ruimte, het coloriet van de Pop Art¦ Maar Cox gelooft niet dat alleen een kinderlijke spontaneïteit of een uitgezuiverde abstractie de kloof tussen de werkelijkheid, het publiek en de kunstenaar kan overbruggen. Cox vertrekt van de inhoud die wordt uitgebeeld en heeft een voor die tijd bijna unieke voorkeur voor onderwerpen uit de Bijbel en de Grieks-Romeinse Oudheid. Een constante in het werk van Cox is de zorg om de compositie die altijd doordacht wordt opgezet en uitgewerkt. Naargelang de noodwendigheden gebruikt hij expressieve, surreële, abstracte of realistische motieven.

Een vrijzinnige schildert het passieverhaal

Cox was tot op het einde zonder enige twijfel vrijzinnig. Toch maakt hij in 1980 een aantal schilderijen geput uit het verhaal van het lijden van Christus. Cox kiest een aantal scènes uit de traditionele kruisweg (zoals de eerste, tweede en derde val). Hij voegt ook andere scènes toe, die voorafgaan aan de eigenlijke kruisweg, en laat andere traditionele scènes weg. Cox doopt zijn schilderijenreeks De Martelgang. Meer dan door ˜de zoon van God” is Cox immers gegrepen door “wat de mens wordt aangedaan”.

Vrouwen in het leven en de kunst van Jan Cox

Jan Cox reist kort na de Tweede Wereldoorlog door Frankrijk met de Amerikaanse Ruth Olson. Hij wordt verliefd op haar en beslist om Amerika te verkennen. Later zal hij haar portret schilderen. In Brussel ontmoet hij vervolgens zijn echtgenote Yvonne Van Ginneken. Zij zal bijna 10 jaar lang een van de hoofdpersonages in zijn schilderijen blijven. Hij vestigt zich met haar in Boston. Daar wordt Jan Cox verliefd op een leerlinge, Marlene. Ook van haar maakt Cox een intrigerend portret. In Antwerpen wordt hij opnieuw verliefd op een jonge vrouw met wie hij zijn laatste reizen onderneemt. In de schilderijen van Jan Cox treden voortdurend vrouwen op: Judith, de dappere Joodse vrouw die de Assyrische generaal Holofernes verleidt en vermoordt, de bloeddorstige, dronken danseressen uit de Griekse mythologie, de Maenaden, en natuurlijk Eurydice, Orpheus’ onbereikbare liefde.

Orpheus

Aan Orpheus zal Jan Cox omstreeks 1960 een elfdelige reeks schilderijen wijden (die hij herneemt en uitbreidt op klein formaat, en deze suite van 12 wordt in de tentoonstelling volledig getoond). Orpheus, opnieuw een figuur uit de Griekse mythologie, staat voor de kracht en tragedie van de kunst: zijn muziek verzacht de zeden in die mate dat dieren tam worden en mensen ophouden zich als agressieve barbaren te gedragen. Door de kracht van zijn muziek slaagt Orpheus er ook in zijn geliefde Eurydice uit de onderwereld te bevrijden. Maar hun tocht uit de onderwereld eindigt op een mislukking en Orpheus is zijn geliefde voor eeuwig kwijt. Jan Cox vindt in gebeurtenissen in zijn eigen liefdesleven en zijn professionele bestaan een aansporing om deze reeks te schilderen.

De Ilias

Jan Cox had de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. In 1975 beslist hij om een reeks schilderijen te wijden aan de oorlog tussen de Grieken en de Trojanen. De Ilias is door de omvang het meeste ambitieuze artistieke project van Jan Cox. In tal van expressieve close-ups voert hij de bekende krijgers en helden op: Menelaos, Achilles, Patroclos, Hector, Priamus; Cox wil in schilderijen als De bloedregen duidelijk wijzen op de gruwel van het oorlogsgeweld. Maar in sommige taferelen is hij ook gefascineerd door de menselijkheid en verschrikkelijke schoonheid van de oorlog.

Een andere, speelse Cox

Door het tragische levenseinde en de ernst van de onderwerpen die Jan Cox in zijn schilderijen aansnijdt, ontgaat ons soms de ironie en humor in zijn werk. Een aantal werken, sommige driedimensionale assemblages, getuigen nochtans heel duidelijk van het onderschatte ludieke karakter van Jan Cox, een ander aspect van zijn kunstenaarschap.