Karel Appel – onderweg: reis van Rudi Fuchs langs de kunst der Lage Landen

Karel Appel - on the road: a journey through art in the Low Countries by Rudi Fuchs Exhibition: 13 October 2004 - 16 January 2005

Museum press release, 12 October 2004

Karel Appel. Onderweg neemt de bezoeker mee op een reis langs vijf eeuwen kunst uit de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. De reisleider is Rudi Fuchs, internationaal vermaard tentoonstellingsmaker en voormalig directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven en het Stedelijk Museum Amsterdam.

Het oeuvre van Karel Appel is de rode draad. Dat wordt geconfronteerd met kunst uit Vlaanderen en Nederland. Het experiment van CoBrA vormt het denkbeeldige oriëntatiepunt.

De 270 kunstwerken (120 schilderijen, 126 tekeningen en 24 gravures) die het Paleis voor Schone Kunsten tentoonstelt, zijn niet chronologisch, maar thematisch gerangschikt. Zo lijkt op het eerste gezicht een wat kleiner schilderij van Van Gogh, of zelfs een Rembrandt wat verloren tussen de talrijke werken van Karel Appel die hen omringen. De man achter deze geïnspireerde jungle is Rudi Fuchs, een eminent Karel Appel kenner.

Paul Dujardin, directeur van het Paleis voor Schone Kunsten, had hem de opdracht toevertrouwd om “een overzichtstentoonstelling te maken van Karel Appel” in het kader van het Nederlands Voorzitterschap van de Europese Unie. Karel Appel heeft al 4 keer in het Paleis voor Schone Kunsten geëxposeerd: in 1953, 58 en 65. Rudi Fuchs heeft ook al diverse tentoonstellingen van Karel Appel georganiseerd. Kost wat kost wou de Nederlandse curator vermijden om zichzelf te herhalen. Hij wou niet met een voorspelbare tentoonstelling voor de dag komen. Vandaar de idee om een reis te maken langs – en een confrontatie met – de Vlaamse en Nederlandse kunst.

Zijn doel met deze merkwaardig opgebouwde tentoonstelling is via associaties de bezoekers aan te zetten om op een andere manier naar kunst te kijken: met name door te vergelijken en te confronteren bijvoorbeeld rond het thema wolken, mensen, dood,… Centraal daarbij staat het oeuvre van Karel Appel. Karel Appel maakt met 58 schilderijen, 25 tekeningen en 1 object, circa 1/3 van de tentoonstelling uit. Een groot deel komt uit de Cobra-tijd. Het merendeel van de recente werken is gemaakt tussen 2000 en 2004. Daartoe horen het Geel Naakt (2000)– het uithangbord van de tentoonstelling – maar ook heel wat monumentale reliëfs, iets tussen schilderijen en beeldhouwwerken, gemaakt met opgezette dierenkoppen, dansende geraamtes, ballonnen en takkenbossen.

Daarnaast zijn er:
– de oude meesters als Rembrandt, Van Dijck, Ensor, Van Gogh,

– de tijdgenoten van Karel Appel, met onder meer Corneille, Constant, Hugo Claus,
– de nieuwe generatie, met gevestigde namen als Luc Tuymans, Panamarenko, maar ook werk van de Belg Koen Van den Broek en de Nederlander Avery Preesman.

Appel & Fuchs

Fuchs kent het werk van Appel door en door. Hij maakte diverse tentoonstellingen met hem, schreef over hem, keek en blijft kijken naar Appels œuvre, en werd in de loop der jaren een goede vriend. “Ik wil Appels karakter beschrijven,” schreef Fuchs in 1990, “en ik zie een kunstenaar die zich ondanks het opzienbarende van zijn experiment, eerder behoedzaam ontwikkelt. Voor mij getuigt het van grote kwaliteit dat hij zijn kunst maakt met kennis van de oude meesters die hem zijn voorgegaan, maar het is enigszins in tegenspraak met de manifesten en de heroïsche uitspraken van zijn eerste periode in de kringen van de Nederlandse Experimentelen en ook van CoBrA.” Experiment versus traditie, bedachtzame ontwikkeling versus Appels beroemde oneliner “Ik rotzooi maar wat aan”: deze ogenschijnlijke tegenspraken maken Appels zwerftocht langs de kunstgeschiedenis er des te boeiender op.

Rembrandt & Rubens

De reis komt onder meer langs een schilderij van Antoon Van Dyck, Marteling van de Heilige Petrus uitgeleend door de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België. Dit schilderij inspireerde Appel immers tot een nieuw werk. Vervolgens splitsen de wegen zich: aan de ene kant zien we een kruisoprichting van Rubens, aan de andere kant één van Rembrandt. De barokke Vlaming versus de nuchtere Hollander: het klinkt misschien wat zwart-wit maar de toon is meteen gezet. Rudi Fuchs verwijst ook naar een reisverslag van de 19de-eeuwse schilder Eugène Fromentin. Op 6 juli 1875 bevond deze Fransman zich in Brussel: “Ik kom Rubens en Rembrandt in hun eigen omgeving opzoeken en evenzo de Hollandse school in haar altijd gelijkblijvend kader van land- en zeeleven, van duinen en weiden, van grote wolken en ijle horizonten.”

Noord & Zuid

In de volgende zalen ontmoet Appel onderweg collega-schilders. Niet in chronologische volgorde maar volgens een thematische, associatieve logica. We zien portretten, landschappen, stillevens, bloemen, bomen en naakten van onder andere Ensor, Mondriaan, Permeke, Brusselmans en Panamarenko die in dialoog komen te staan met werken van Appel. Halfweg de tentoonstelling kruist Appels weg die van zijn CoBrA-kompanen: Pierre Alechinsky, Hugo Claus, Lucebert, e.a.

Hoe zit het nu met de verschillen tussen Noord & Zuid? Rudi Fuchs vatte het verschil in temperament ooit kernachtig samen:

“Nederlanders houden ervan dicht bij de concrete werkelijkheid te blijven, die hun iets geeft om zich aan vast te houden. Ze beteugelen hun verbeeldingskracht en ‘verdiepen’ zich vervolgens in wat ze gevonden hebben. Bij de Vlamingen liggen de dingen een beetje anders: in plaats van dicht bij de werkelijkheid te blijven, ‘blijven ze dicht bij huis’. Daar thuis op hun eigen plek, op het platteland en in de stad beleven zij verrukkelijke avonturen – melancholische, absurde, lyrische, weemoedige, surrealistische avonturen.”

Karel Appel

De Nederlandse schilder, beeldhouwer, tekenaar en dichter Karel Appel werd in 1921 in Amsterdam geboren. Appel studeert in de jaren veertig schilderkunst aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten in Amsterdam, waar hij Corneille leert kennen. Samen met onder meer Corneille en Constant richt hij in 1948 de Nederlandse Experimentele Groep op. Korte tijd later sluit deze groep zich aan bij de CoBrA-beweging (initialen van Copenhagen, Brussel en Amsterdam waar de kunstenaars woonden), waartoe o.a. Christian Dotrement en Asger Jorn behoren. Als reactie op de bestaande kunsttraditie ondertekenen de kunstenaars een manifest waarin het experiment voorop staat. Ze inspireren zich op kindertekeningen, volkskunst, oosterse kalligrafie enz. Dichters als Lucebert, Simon Vinkenoog en Gerrit Kouwenaar sluiten zich ook aan. De eerste Cobra-tentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1949 (op uitnodiging van toenmalig directeur Willem Sandberg) lokt een storm van kritiek uit. Naast De leden van CoBrA organiseren groepstentoonstellingen en geven ook het tijdschrift Cobra uit. Na een laatste gemeenschappelijke tentoonstelling in Luik in 1951 valt de groep uit elkaar en gaat ieder zijn eigen weg.

Appel krijgt zijn eerste belangrijke opdracht in 1949: het betreft de wandschildering Vragende Kinderen voor het stadhuis van Amsterdam, die zeer hevige reacties opriep. In de jaren die daarop volgen wordt hij beschouwd als Nederlands bekendste schilder van na W.O. II. In 1953 is zijn werk te zien op de Biënnale van Sao Paulo en in dat jaar heeft hij tevens zijn eerste grote solotentoonstelling. Die wordt al snel opgevolgd door andere tentoonstellingen in Parijs en New York in 1954. In 1956 maakt hij muurschilderingen voor het Stedelijk Museum in Amsterdam en in 1958 voor de Unesco in Parijs.

Karel Appel heeft in zijn werk altijd de directe expressie vooropgesteld, en niet zozeer de marxistische analyse van de westerse beschaving, die Constant aanhing. Aan de theoretische pamfletten van Constant en Dotremont heeft hij dan ook nooit veel aandacht besteed. In de Cobra-jaren schildert hij in felle kleuren en in simpele vormen en stevige lijnen vriendelijke, onschuldige kinderen en imaginaire dieren. Dat doet hij met felle kleuren, simpele vormen en duidelijke lijnen. Reeds vóór, maar ook tijdens de Cobra-periode experimenteert Appel veel. Hij verzamelt allerlei afvalmaterialen. Met stukken hout, rubber, kurk en ijzer maakt hij assemblages (reliëfs). Hij houdt van felle kleuren en maakt zo eenvoudig mogelijke vormen: hij heeft maar een paar lijnen en vlakken nodig om een figuur, dier of plant neer te zetten. Appels werken hebben iets kinderlijks; vandaar dat men zijn stijl dan ook “kinderlijk volwassen” noemt. Na de Cobraperiode smeert Appel de verf steeds dikker op het doek. Lijnen en vlakken worden in heftige bewegingen neergezet.

Appels beroemde uitspraak: “Ik rotzooi maar een beetje aan. Ik leg het er tegenwoordig flink dik op, ik smijt de verf er met kwasten en plamuurmessen en blote handen tegenaan, ik gooi d´r soms hele potten tegelijk op” is typerend voor zijn dynamische werkwijze.

Sinds 1957 werkt Appel ook in New York, waar hij portretten maakt van de jazzmusici die hij bewondert. In 1959 en in 1964 neemt hij deel aan Documenta 2 en 3 te Kassel.

In die periode schildert hij abstract expressionistisch; hij beoefent een soort van action-painting. Rond 1963 verandert dat: de warme tinten en de expressionistische stijl maken plaats voor een koelere werkwijze. De kleuren zijn nu bijna lichtgevend, en worden in dunne, gelijke lagen aangebracht. In 1964/1965 maakt hij grote veel kleurige reliëfs en menselijke figuren in hout en polyester. De sculpturen die hij maakt na zijn Cobra-tijd in de jaren zestig, de zogeheten olijfboombeelden, zijn abstract.

In Frankrijk ontdekt hij de knoestige boomstronken van olijfbomen immers als nieuwe beelddragers. Door met alle mogelijke kleuren te werken, probeert hij ze een dramatische lading te geven. Net zoals bij wolken, kun je er allerlei figuren in herkennen. Dat heeft natuurlijk iets vrijblijvends, maar aan de andere kant weet hij door de expliciete naamgeving, zoals de twee stronken getiteld Innocent Onlookers (1960), de blik dwingend te sturen. Door zijn vele reizen krijgt Appel steeds betere contacten in de Amerikaanse kunstwereld. Vanaf de jaren zestig worden er in de Verenigde Staten talloze tentoonstellingen aan zijn werk gewijd. Reeds in die periode bereikt zijn roem een hoogtepunt.

In de jaren zeventig wordt het schilderachtig karakter van zijn werk weer belangrijk. Appel kiest opnieuw voor dikke lagen verf en laat de kleuren door elkaar lopen. Steeds vaker echter werkt hij zijn voorstellingen zoals gezichten, bomen, dieren, stillevens uit met uniforme verftoetsen; het beeld bestaat zo uit meerdere gekleurde ‘strepen’.

Vanaf het begin van de jaren tachtig kiest hij voor meer dramatische onderwerpen, o.a. misdaadscènes zoals bijvoorbeeld Aan het graf (1981), Oorlog en honger (1983) of De zondvloed (1985). Daarmee verandert ook zijn stijl, die expressiever en losser wordt en aansluit bij het neo-expressionisme van de Duitse en Italiaanse schilderkunst uit die periode. In 1989 wijden vijf Japanse musea grote overzichtstentoonstellingen aan hem.

Karel Appel maakt in de jaren negentig sculpturen in zijn atelier in New York: Sculptures without a Hero, levensgrote monumentale figuratieve beelden samengesteld uit diverse ´gevonden´ voorwerpen. Er zitten veel (onderdelen van) dierenfiguren tussen – paarden, olifantjes, kikkers, een varken, een opgezette hertenkop – maar ook stukken sloophout en gebruiksvoorwerpen uit diverse tijdperken en culturen, van Mexicaanse maskers tot antieke ramen. Ook maakte Karel Appel kostuums, decorstukken en ontwerpen met beesten en monsters voor de opera, onder meer voor Noach van Friso Haverkamp en Guus Janssen (1994) en Mozarts Die Zauberflöte (1996), die na opvoering niet vernietigd maar geëxposeerd worden.

De videofilm If I were a bird (1995) van Mat van Hensbergen toont Appel aan het werk: we zien hoe hij titaniumwit en eigeel tot een emulsie mengt, een procédé dat naar zijn zeggen teruggaat tot de Vlaamse Primitieven en dat ook toegepast werd door Rembrandt. Opvallend genoeg werkt Appel, zoals we in de film zien, vaak met modellen. Hoewel er dus geposeerd wordt, zijn de schetsen die hij van hun lichamen maakt toch erg schematisch.

In een tweede fase, zonder modellen, voegt hij er kleur aan toe. Ten slotte brengt hij intuïtief de gevonden voorwerpen op de kleverige ei-massa aan, die eenmaal opgedroogd zo hard wordt als steen. Daarbij laat hij zich leiden door zijn intuïtie. “Om tot expressie te komen, moet je de materie deformeren”, zegt Appel in de film. Appel maakt verder vele monumentale werken, waaronder de wandschildering E 55 in Rotterdam (1955), zes gebrandschilderde ramen voor de Paaskerk te Zaandam (1957), een stoffencollage in het Palazzo Grassi te Venetië in het kader van de tentoonstelling Vitalità nell ´Arte (1959), een decoratie in glas-appliqué voor de Spaarbank voor de Stad Amsterdam (1963) en in 1970, in nauwe samenwerking met (de) architect H.Maaskant, een gekleurd glasraam in beton voor het scholencomplex van Technikon in Rotterdam.

Appel maakt bovendien illustraties voor gedichten van Hugo Claus, Bert Schierbeek, Hans Andreus en Simon Vinkenoog e.a.

Rudi Fuchs

Na zijn studies kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Leiden, begon Rudi Fuchs (1942) zijn loopbaan als wetenschappelijk medewerker aan het Kunsthistorisch Instituut te Leiden. Vanaf 1969 was hij tevens docent-begeleider in de Ateliers’63 Ateliers ’63 in Haarlem. In 1975 wordt hij aangesteld als directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven, tot hij in 1987 het directeurschap van het Haagse Gemeentemuseum op zich neemt. In 1983 stelt Fuchs de belangrijk(st)e kunstmanifestatie Documenta 7 in Kassel samen, en staat hij mede aan het begin van het Museo d’Arte Contemporanea, Castello di Rivoli (Turijn) dat in 1984 zijn deuren opent. Van 1993 tot januari 2003 was hij directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Sindsdien is hij verbonden aan de Universiteit van Amsterdam als gastdocent.

Als curator stelde hij tentoonstellingen samen met werk van o.a. Jan Dibbets (Minneapolis, Detroit en Guggenheim, New York; 1987, 1989), Arnulf Rainer (Guggenheim, New York; Museum of Contemporary Art, Chicago), evenals groepstentoonstellingen zoals Views from Abroad, Whitney Museum, New York (1995) en samen met Jan Hoet Flemish and Dutch Painting: from van Gogh, Ensor, Magritte, Mondrian to contemporary artists in het Palazzo Grassi,Venetië (1997).

Fuchs is auteur van talrijke publicaties waaronder Rembrandt en Amsterdam (Rotterdam: Lemniscaat, 1968); Rembrandt in Amsterdam (New York: Graphic Society, 1969); Dutch Painting (Londen: Thames & Hudson, 1978); Wegen der Nederlandse Schilderkunst (Utrecht-Antwerpen: Spectrum, 1979); Recht op schoonheid (Amsterdam: De bezige bij, 1999, Tussen Kunstenaars. Een romance (Amsterdam: De bezige bij, 2002) en catalogi over Nederlandse en buitenlandse kunstenaars, zoals Karel Appel, Rob Birza, Robert Zandvliet, Jan Dibbets, Arnulf Rainer, Georg Baselitz, Markus Lupertz, Imi Knoebel en Donald Judd. Begin 2004 verschijnen twee nieuwe publicaties: een actualisering van Schilderen in Nederland en ook een nieuwe uitgave, Panorama Mondriaan.

Catalogus

De catalogus Karel Appel. Onderweg bevat bijdragen van Rudi Fuchs en Luk Lambrecht en is 96 pagina’s dik.